Wie moet de keuring laten doen?

Binnen de EPBD waren meerdere klassen vastgesteld. Met de komst van EPBD III is de klasseindeling vervallen en is ook de beoordeling op gebouwniveau gewijzigd in beoordeling op installatieniveau. Hieronder zijn de eisen op een rij gezet.

Airconditioningssystemen groter dan 70 kW

Indien een gebouw een airconditioningsysteem heeft met een nominaal vermogen van 70 kW of hoger moet het gebouw eens per vijf jaar gekeurd worden. Als systeem wordt gezien een airconditioner, warmtepomp of koelmachine van 70 kW of een samenstel hiervan, mocht deze in een systeem samenwerken.

Verwarmingssystemen groter dan 70 kW

Indien een gebouw een verwarmingssysteem heeft met een nominaal vermogen van 70 kW of hoger moet het gebouw eens per vier jaar gekeurd worden. Als systeem wordt gezien een ketel of warmtepomp van 70 kW of een samenstel (cascade opstelling) hiervan, mocht deze in een systeem samenwerken.

Ventilatiesystemen

Indien het ventilatiesysteem in een gebouw is gekoppeld aan een airconditioningsysteem een verwarmingssysteem met een nominaal vermogen van 70 kW of hoger moet deze ook in de keuring worden meegenomen.

Gehele systeem wordt gekeurd

De keuringen betreffen het gehele systeem inclusief afgifte en niet alleen de opwekker. Bovendien richten ze zich ook op de energieprestatie onder gebruikelijke gebruikscondities.

Gebouwbeheersings- en controlesysteem (GACS)

Gebouwen die gekoeld of verwarmd worden met een koel- of verwarmingssysteem met een nominaal vermogen van 290 kW of meer, moeten vanaf 2026 uitgerust zijn met een Gebouwbeheersings- en controlesysteem (GACS), dat de apparatuur controleert en aanstuurt. Zodra het gebouw over zo’n systeem beschikt, vervalt de keuringsplicht.

De keuring van airconditioningsystemen, maar ook warmtepompsystemen moeten worden verricht door een EPBD-B inspecteur. Keuring van verwarmingssystemen worden gecombineerd met de verplichte Scios keuring. De specifieke te keuren onderdelen ligt vast in de IPS.

Wie is verantwoordelijk voor de keuring?

De verantwoordelijkheid ligt bij de gebouweigenaar en/of huurder van een gebouw als het gebouw voorzien is van een airconditioning- of verwarmingssysteem met nominaal vermogen van 70 kW of groter zoals hierboven genoemd. Dit staat in de staatscourant vermeld.

In de praktijk zal de verantwoordelijkheid vooral bij de gebouweigenaar liggen. Immers zijn veel gebouwen met comfortkoeling bedoeld als een vrij verhuurbaar gebouw met veelal meerdere huurders of is de gebruiker ook de eigenaar van het gebouw. In deze gevallen is het logisch dat de gebouweigenaar verantwoordelijk is voor de EPBD-inspectie. Veelal zal dan de gebouw beheerder het initiatief nemen.

Stel dat de huurder zelf de installatie heeft aangeschaft en deze is onderdeel van een groter geheel. Dan kan het complexer liggen. In ieder geval geldt dan niet meer dat de som van alle in het gebouw aanwezige comfort installaties de keuringsplicht bepaald van de EPBD. Een afzonderlijke installatie bepaald nu de plicht. In de praktijk is dit dan het huisnummer van het gebouw.

Voorbeeld gebouw A

Losse installaties
Huurder 1 2 installaties van 4 kW
Huurder 2 1 installatie van 80 kW
Huurder 3 3 installaties van 10 kW
Totaal koelcapaciteit = 118 kW = Voormalige Klasse 2

Er moet voor dit gebouw dan een inspectie worden gedaan op de installaties van huurder 2. Huurders zijn eigenaar van de installatie en initiatief moet komen van huurder 2. Huurder 1 en 3 kunnen erbij betrokken worden, echter is er voor hen geen keuringsplicht meer. Gebouwbeheerder zou kunnen bemiddelen en kosten delen al ligt de verantwoording alleen op de installatie van huurder 2.

Voorbeeld gebouw B

Centrale installatie is 200 kW
Huurder 1 4 installaties van 10 kW voor serverruimtes
Huurder 2 1 installatie van 90 kW voor aanvullende koeling
Huurder 3 1 installatie van 400 kW voor laboratoria
Totaal koelcapaciteit = 290 kW = Voormalige Klasse 3

Er moet voor dit gebouw dan een inspectie worden gedaan op basis van de centrale installatie. De serverruimtes en laboratoria worden niet gezien als comfortkoeling, maar productie en hoeven niet meegeteld worden. Centrale koeling bepaald in dit geval de klasse en de gebouweigenaar is verantwoordelijk. De installatie van huurder 2 wordt meegenomen in de inspectie. De anderen niet. Gebouwbeheerder zou initiatief moeten nemen en kosten dragen. Er wordt één dossier gemaakt.

Wat te doen met de rapportage?

Als gebouwbeheerder heeft u de rapportage ontvangen en dan?

  • Bent u verplicht tot het uitvoeren van de verbeteradviezen?
  • Wat moet u doen met de rapportage?
  • Vervolgstappen.

Bent u verplicht tot het uitvoeren van de verbeteradviezen?

De wetgever is hier niet echt duidelijk over. We lezen onder andere deze tekst.

Bij de keuring wordt tevens gekeken of er mogelijkheden zijn voor verbetering van de energieprestatie van het airconditioningsysteem. Op basis van de resultaten van de keuring wordt bezien of vervolgacties gewenst zijn. De deskundige die de keuring uitvoert, verstrekt een concreet advies over mogelijke verbetering of vervanging van (delen van) het airconditioningsysteem en over alternatieve oplossingen indien het resultaat van de keuring daartoe aanleiding geeft. De uitvoering van deze maatregelen behoren niet tot de keuringswerkzaamheden. Er wordt gestreefd naar een kosteneffectieve keuring. De kosteneffectiviteit wordt onder meer bepaald door de energiebesparing die gerealiseerd kan worden door uitvoering van de adviezen van de deskundige. De energiebesparing kan bijvoorbeeld bestaan uit een reductie van de elektriciteitsvraag voor koeling. De reductie is gerelateerd aan de grootte van de installatie.

Kortom u bent niet verplicht de adviezen op te volgen. Wel is dit uiteraard aan te bevelen, daar dit bijdraagt in een lagere CO2 uitstoot, inzicht in de kwaliteit van installaties en energieverbruik van het gebouw. Dit kan ook meehelpen in het realiseren van een beter energielabel en imago. Dus een meerwaarde van het gebouw en aantrekkingskracht voor nieuwe huurders.

Terugverdientijd van het advies korter dan 5 jaar! Van uit de inspectie, verbeteradviezen en uiteindelijk de begroting met terugverdientijd kan blijken dat de investering voor energiebesparing korter is dan 5 jaar. Is dit het geval dan kan de eigenaar / huurder het advies niet zonder meer naast zich neer leggen. Hij zal moeten voldoen aan het Activiteitenbesluit Energiebesparing. Hierin valt te lezen; Bedrijven en instellingen zijn verplicht om energiebesparende maatregelen te nemen als het jaarlijkse gebruik groter is dan 50.000 kWh of meer dan 25.000 m3 aardgasequivalenten. Er staat beschreven dat deze bedrijven alle maatregelen moeten hebben gedaan met een terugverdientijd korter dan 5 jaar. Dus is het advies niet vrijblijvend in dit geval. Een en ander is het hier terug te vinden.

Wat moet u doen met de rapportage?

U bent verplicht om eens in de 5 jaar een rapportage te laten uitvoeren. Deze rapportage moet volgens artikel 7c bewaard worden. De eigenaar of huurder van het gebouw waarin het airconditioningsysteem is geïnstalleerd, bewaart het keuringsverslag ten minste vijf jaar.

Vervolgstappen

Naar aanleiding van de keuring zijn er vervolgstappen aan te bevelen. Volgende stappen willen we benoemen.

  • Installateur een offerte laten maken aan de hand van het advies wat gegeven is
  • Uitvoeren van het verbeteradvies
  • Vervolgonderzoek laten doen naar aanleiding van het advies
  • BREEAM-NL In Use traject starten om naast verduurzamen van de installaties ook het gebouw een duurzaamheidslabel te geven alsmede de gezondheid van de gebruiker te verbeteren.